Vennootschapsbelasting. Subjectieve vrijstellingen (artikel 5)
8 december 2009 Nr. CPP2009/1368M
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven
& beleidsbesluiten
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
In dit besluit is beleid opgenomen over de subjectieve vrijstellingen die
zijn opgenomen in artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het
besluit is een actualisering van het besluit van 15 mei 2006, nr. CPP2005/3043M.
De belangrijkste wijzigingen zijn:
− er heeft een aanpassing plaatsgevonden van het beleid in de onderdelen 2
(landgoederen) en 3.3. (buitenlandse pensioenfondsen);
− in onderdeel 4.1. is een algemene passage opgenomen over de regeling van
artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969;
− het beleid inzake de belastingplicht van de thuiszorginstellingen is herzien
(paragraaf 4.3.); in het besluit is thans expliciet aangegeven welke
activiteiten van thuiszorginstellingen al dan niet kwalificeren voor de
toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969;
− in onderdeel 4.5. is een beleidsstandpunt opgenomen over een lichaam die
bejaardenwoningen verhuurt;
− het beleid dat is opgenomen in onderdeel 5 van het besluit met nummer
CPP2005/3043M is met ingang van 1 januari 2008 als gevolg van gewijzigde
wetgeving vervallen.
1. Inleiding
Op grond van artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn de in
dat artikel genoemde lichamen onder voorwaarden van de heffing van
vennootschapsbelasting vrijgesteld. In dit besluit wordt een nadere invulling
gegeven aan enkele in het eerste lid van artikel 5 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 gehanteerde begrippen.
1.1 Gebruikte begrippen en afkortingen
Wet Vpb:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
UB Vpb:
Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971
2. Landgoederen (onderdeel a)
Lichamen waarvan de bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk (dat wil zeggen:
voor ten minste 70% van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen)
bestaan uit op grond van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoederen, komen
onder voorwaarden in aanmerking voor de vrijstelling. Het percentage van 70% kan
worden verlaagd naar 50%, indien de overige bezittingen inkomsten opleveren die
noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de landgoederen en de inkomsten
hoofdzakelijk daarvoor worden aangewend.
De werkzaamheden van het lichaam moeten voor ten minste 70% bestaan uit het
instandhouden van de landgoederen. Daarbij wordt de voorwaarde gesteld dat de
overige werkzaamheden niet zijn aan te merken als het drijven van een
onderneming. Het begrip ‘drijven van een onderneming’ moet worden uitgelegd
overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, en artikel 4
van de Wet Vpb.
3. Pensioenlichamen (onderdeel b)
Pensioenfondsen, met uitzondering van de zogenoemde directiepensioenlichamen
zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Vpb, zijn subjectief van de
heffing van vennootschapsbelasting vrijgesteld op grond van artikel 5, eerste
lid, onderdeel b, juncto derde lid, van de Wet Vpb juncto artikel 3 van het UB
Vpb.
3.1 Het begrip werkzaamheid van directiepensioenlichamen
Lichamen waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit de uitvoering van
pensioenregelingen of van regelingen voor vervroegde uittreding van – kort
samengevat – directeur-grootaandeelhouders zijn niet vrijgesteld van de heffing
van vennootschapsbelasting (artikel 5, tweede lid, onderdeel b, juncto tweede
lid, van de Wet Vpb). Voor de toepassing van deze uitzondering mag niet alleen
gekeken worden naar de mate waarin het aantal werknemers dat voldoet aan de
criteria als genoemd in onderdeel b zich verhoudt tot het aantal overige
werknemers. Met een dergelijke algebraďsche toets kan niet worden volstaan.
Zo zal, ingeval in één lichaam pensioenverplichtingen zijn ondergebracht van
zowel de directeur-grootaandeelhouders als andere (gewone) werknemers, door het
herverzekeren van de pensioenverplichtingen van de andere werknemers en het zelf
uitvoeren van de verplichtingen jegens de directeur-grootaandeelhouders, een
situatie ontstaan waarbij de werkzaamheid van het lichaam hoofdzakelijk bestaat
in de uitvoering van het pensioen van de directeur-grootaandeelhouders.
Naar mijn oordeel wordt de omvang van de werkzaamheid van het lichaam weliswaar
beďnvloed door het aantal deelnemers maar spelen ook andere factoren een rol,
zoals de aard van de in het lichaam ten behoeve van de werknemers ondergebrachte
pensioenverplichtingen en de mate waarin de pensioenregelingen door dat lichaam
zelf worden uitgevoerd. Andere indicaties voor de omvang van de werkzaamheid ten
behoeve van de individuele pensioenverplichtingen kunnen zijn:
− de aard van de pensioenregeling;
− de toegepaste elementen;
− verschillen in de hoogte van de pensioenverplichtingen, zeker wanneer deze
verschillen zich niet laten verklaren door de hoogte van het loon en de
diensttijd;
− de wijze waarop de regeling wordt uitgevoerd, mede beoordeeld aan de hand van
het feitelijke risico dat het lichaam draagt.
3.2 Overgangsrecht voor directiepensioenlichamen van voor 1 januari 1992
Tot en met 31 december 1991 werden er voor directiepensioenlichamen onder meer
eisen gesteld aan de winstbestemming. Het vervallen van de vrijstelling met
ingang van 1 januari 1992 heeft alleen gevolgen voor de toekomst en leidt er
niet toe dat de voordien (in de vrijgestelde periode) behaalde winst en ontstane
stille reserves alsnog kunnen worden belast. Dit is ook niet het geval, indien
aan die winst alsnog een bestemming wordt gegeven die niet overeenkomt met de
oorspronkelijke statutaire bepalingen.
In de statuten van een vóór 1 januari 1992 opgericht pensioenlichaam kan nog de
bepaling zijn opgenomen dat voor statutenwijziging toestemming nodig is van de
Minister van Financiën. Voor sinds die datum niet langer vrijgestelde
(directie)pensioenlichamen heeft deze bepaling zijn belang verloren. Ik verleen
door middel van dit besluit een generale toestemming voor de wijziging van de
statuten van zodanige lichamen, voor zover die toestemming volgens de te
wijzigen statuten is vereist.
3.3 Buitenlandse pensioenfondsen
In het buitenland gevestigde pensioenfondsen, die Nederlands inkomen genieten in
de zin van artikel 3 van de Wet Vpb, zijn op grond van artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet Vpb subjectief vrijgesteld van de heffing van
vennootschapsbelasting, indien zij zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
bezighouden met het verzorgen van uitkeringen krachtens een pensioenregeling of
een regeling voor vervroegde uittreding, die naar aard en strekking overeenkomt
met een Nederlandse pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding in
de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Of de buitenlandse
regeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse regeling, is ter
beoordeling voorbehouden aan de bevoegde inspecteur. Bij een daartoe strekkend
verzoek worden in ieder geval de volgende stukken overgelegd:
1. een kopie van de desbetreffende buitenlandse pensioenregeling;
2. de jaarrekening van het lichaam en eventuele andere stukken, waaruit ten
genoegen van de inspecteur kan worden vastgesteld dat sprake is van een lichaam,
dat zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighoudt met het verzorgen van
uitkeringen krachtens een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde
uittreding.
4. Activiteiten van instellingen van weldadigheid of algemeen nut (onderdeel c)
4.1 Algemeen
In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb is een subjectieve
vrijstelling opgenomen voor lichamen die als instelling van weldadigheid of van
algemeen nut (instellingentoets) zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
bezighouden met de activiteiten genoemd in deze bepaling (werkzaamhedentoets).
Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen geldt als additionele
voorwaarde dat het lichaam van publiekrechtelijke aard is, dan wel, indien dat
niet het geval is, het lichaam, zo het winst behaalt, deze uitsluitend kan
aanwenden ten bate van een eveneens volgens artikel 5, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet Vpb vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang
(artikel 4 UB Vpb).
Voor de toepassing van deze vrijstelling is niet vereist dat het lichaam in het
bezit is van een beschikking in de zin van artikel 6.33, tweede lid, van de Wet
IB 2001 (zogenaamde ANBI-beschikking).
Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb is aan te merken als een
subjectgebonden bepaling. Dit betekent dat per lichaam (belastingplichtige) moet
worden bekeken of aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan.
In de onderdelen 4.2 tot en met 4.5 wordt voor een aantal specifieke
instellingen ingegaan op de vraag of en zo ja, wanneer zij kwalificeren voor de
toepassing van de vrijstelling.
4.2. Gezondheidscentrum en huisartsendienstenstructuur (huisartsenpost)
Een stichting Gezondheidscentrum zal in veel gevallen verschillende
gezondheidsdiensten aanbieden waardoor een patiënt op één adres terecht kan voor
gezondheidszorg. Huisartsenposten zijn zorginstellingen die de avond-, nacht- en
weekenddiensten van de huisartsen regionaal organiseren.
Een stichting Gezondheidscentrum zal veelal een onderneming drijven in de zin
van artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb, behalve in die gevallen
waarin slechts een accommodatie ter beschikking wordt gesteld. Huisartsenposten
zullen vaak op grond van hetzelfde artikel dan wel op basis van hun rechtsvorm
een onderneming drijven.
De werkzaamheden van een stichting Gezondheidscentrum en een Huisartsenpost
zullen in het algemeen zijn aan te merken als ‘de genezing of verpleging van
zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen’ (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten
eerste, van de Wet Vpb). Een apotheek valt niet onder de omschrijving van deze
bepaling, omdat daarbij de werkzaamheden bestaan uit de verkoop van
geneesmiddelen.
Indien een stichting Gezondheidscentrum of een Huisartsenpost op grond van haar
statuten en feitelijke werkzaamheden is aan te merken als instelling van
weldadigheid of algemeen nut en ze verricht uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
de in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb genoemde
werkzaamheden, dan is ze subjectief vrijgesteld indien eveneens aan het gestelde
in artikel 4 van het UB Vpb wordt voldaan.
4.3. Thuiszorginstelling
In onderdeel 4.2 van het besluit van 15 mei 2006, nr. CPP2005/3043M, heb ik
aangegeven wanneer een thuiszorginstelling subjectief is vrijgesteld. Signalen
uit de praktijk hebben mij aanleiding gegeven het beleid van dat onderdeel als
volgt te herzien.
Aangezien de activiteiten van thuiszorginstellingen veelal ruimer zijn dan de
‘genezing en verpleging van zieken, kraamvrouwen en gebrekkigen’ (artikel 5,
eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb), zijn thuiszorginstellingen
niet per definitie vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting.
Een thuiszorginstelling is in elk geval vrijgesteld op grond van deze bepaling,
indien haar activiteiten geheel of nagenoeg geheel bestaan uit het zelf
uitvoeren van taken waarvoor op basis van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven dan wel waarvoor op grond van de
Wet maatschappelijke ondersteuning door de gemeente een besluit is genomen.
Activiteiten die daarentegen zijn gericht op preventie van ziekte vallen naar
mijn mening niet onder het begrip ’genezing en verpleging‘.
4.3.1. Kwalificerende werkzaamheden thuiszorginstelling
Ik merk de volgende werkzaamheden van thuiszorginstellingen aan als onderdeel
uitmakend van ‘genezing en verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen’:
1. Huishoudelijke verzorging zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h, van de Wet maatschappelijke ondersteuning*
2. Persoonlijke verzorging*
3. Verpleging*
4. Ondersteunende begeleiding*
5. Activerende begeleiding*
6. Personenalarmering* * Voor de onder 1. tot en met 6. vermelde activiteiten
geldt dat deze slechts kwalificeren indien daarvoor op basis van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, dan wel de Wet maatschappelijke ondersteuning, een
(indicatie)besluit is afgegeven.
7. Uitleen van verpleegartikelen De aanspraak op uitleen van verpleegartikelen
is uitgewerkt in het Basispakket Uitleen 2006. In dit pakket zijn voor elk
artikel het doel, de indicatiecriteria, de gebruiksbegren-zingen en de
mobiliteitsklasse beschreven. Het Basispakket Uitleen 2006 is uitgevaardigd
vanuit de praktische overweging dat niet voor iedere uitleen een aparte (CIZ)
indicatie behoeft te worden afgegeven. De activiteit kwalificeert voor zover het
uitlenen van verpleegartikelen plaatsvindt onder de gedelegeerde
indicatiestelling als bedoeld in genoemd Basispakket.
8. Werkzaamheden betaald uit het persoonsgebonden budget, mits deze
werkzaamheden dezelfde activiteiten omvatten als de activiteiten vermeld onder
de punten 1 tot en met 6
9. Thuiszorg na ziekenhuisontslag, mits aan de volgende twee voorwaarden wordt
voldaan:
– deze vorm van thuiszorg omvat (een gedeelte van) de activiteiten vermeld onder
de punten 1 tot en met 6 en 8; én
– de activiteit vindt plaats op basis van een verwijzing van een arts of op
basis van een besluit van de gemeente.
10. Kraamzorg
11. Jeugdgezondheidszorg voor 0 tot 4-jarigen
4.3.2. Niet-kwalificerende werkzaamheden thuiszorg-instelling
De volgende werkzaamheden van thuiszorginstellingen merk ik in ieder geval niet
aan als onderdeel uitmakend van ‘genezing en verpleging van zieken, kraamvrouwen
of gebrekkigen’:
1. Prenatale zorg (bijv. huisbezoeken en cursussen)
2. Preventieprogramma’s (bijv. activiteiten op het gebied van AIV-preventie en
voedingsvoorlichting, het geven van cursussen met een preventie-karakter)
3. Thuiszorgwinkels
4. Kinderopvang
5. Maatschappelijk werk
6. Servicepakketten/aanvullende diensten (bijv. EHBO-cursus, cursus babymassage)
7. Maaltijdverstrekking
8. Welzijnsactiviteiten (bijv. projecten, cursussen en trainingen)
9. Echtscheidingsbemiddeling
De subjectieve vrijstelling geldt alleen als de thuiszorginstelling is aan te
merken als instelling van weldadigheid of algemeen nut en ze uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend (derhalve voor 90% of meer) de in dit besluit genoemde
kwalificerende activiteiten, dan wel de activiteiten genoemd in artikel 5,
eerste lid, onderdeel c, ten tweede tot en met ten vierde, van de Wet Vpb,
verricht. Uiteraard dient de instelling ook overigens te voldoen aan de
vereisten van artikel 4 van het UB Vpb. Houdt de instelling zich voor meer dan
10% bezig met niet-kwalificerende activiteiten, dan leidt dat ertoe dat de
instelling voor het geheel belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting.
Welke activiteiten de thuiszorginstelling daadwerkelijk verricht, zal uit de
administratie van de instelling moeten blijken.
4.4. ARBO-diensten en reďntegratielichamen
ARBO-diensten verlenen hun diensten aan bedrijven door hen te helpen bij het
opstellen en uitvoeren van een goed arbeids-omstandigdheden- en
ziekteverzuimbeleid. Reďntegratiebedrijven zijn gespecialiseerd in het terug
doen keren van zieke werknemers in het arbeidsproces. De activiteiten van
ARBO-diensten en reďntegratiebedrijven zien niet op de genezing of verpleging
van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen of op het verschaffen van een passende
bezigheid aan onmaatschappelijke of onvolwaardige personen (artikel 5, eerste
lid, onderdeel c, ten eerste respectievelijk ten derde, van de Wet Vpb) waardoor
zij niet in aanmerking komen voor de subjectieve vrijstelling van artikel 5,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb.
4.5. Verhuur van bejaardenwoningen
In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, aanhef juncto het bepaalde in onderdeel
2, van de Wet Vpb (artikel 5, 1-c, 2e, van de Wet Vpb) is een subjectieve
vrijstelling opgenomen voor lichamen die als instelling van weldadigheid of
algemeen nut zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het verschaffen van een
onderkomen aan bejaarden. Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen is
van belang dat tevens wordt voldaan aan het gestelde in artikel 4 van het UB Vpb.
Zoals uit voorgaande alinea blijkt is voor de toepassing van de vrijstelling
onder meer vereist dat het lichaam als instelling van algemeen nut is aan te
merken. De verhuur van vastgoed – in dit geval bejaardenhuisvesting – kan niet
worden aangemerkt als een activiteit die op zichzelf bezien het algemeen nut
raakt. Dit is niet anders indien het vastgoed wordt verhuurd aan een lichaam dat
op zich wel in aanmerking komt voor deze subjectieve vrijstelling. Uit de ratio
van artikel 5, 1-c, 2e, van de Wet Vpb leid ik af, dat de bepaling ziet op
lichamen, die niet alleen (nagenoeg) uitsluitend een woonruimte verhuren aan
bejaarden, maar ook zélf zorgtaken (verzorging van bejaarden) verrichten. Onder
het zelf verrichten van de zorgtaken versta ik niet het vervullen van een
bemiddelende rol of het optreden als intermediair voor de zorg- en
dienstverlening.
Verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet bij Koninklijk
besluit zijn toegelaten als instellingen die in het belang van de
volkshuisvesting werkzaam zijn (toegelaten instellingen), zijn vanaf 1 januari
2008 integraal belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (artikel 2,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet Vpb). Een aantal van deze instellingen houdt
zich bezig met ouderenhuisvesting. In de praktijk is de vraag opgekomen of de
subjectieve vrijstelling van artikel 5, 1-c, 2e, van de Wet Vpb van toepassing
kan zijn op toegelaten instellingen die zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden
met de verhuur van bejaardenwoningen. Gelet op het vorenstaande ben ik van
mening dat de vrijstelling niet van toepassing kan zijn op deze instellingen.
5. Ingetrokken regeling
Het besluit van 15 mei 2006, nr. CPP2005/3043M, is met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.
6. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de
dagtekening van dit besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 8 december 2009
De staatssecretaris van Financiën, J.C. de Jager.